Petrus' Sleutelmacht

Gepubliceerd op 6 juni 2026 om 09:36

En Ik zal u de sleutels van het Koninkrijk der hemelen geven; en wat u bindt op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en wat u ontbindt op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn, Mattheüs 16:19

Is het waar dat Petrus de allereerste Paus was en dat zijn gezag over is gegaan op de bisschoppen die na hem Paus waren van Rome? Dat is een vraag waar je niet om heen kunt wanneer je nadenkt over de leer van de Rooms-Katholieke Kerk. Volgens 'Rome' heeft Petrus en hebben de Pausen na hem vier belangrijke zaken van Christus Zelf ontvangen die behoren tot de 'sleutelmacht' waarnaar Matt. 16:19 verwijst: 1. het leergezag; 2. de kerkelijke discipline; 3. het bestuur van de kerk; 4. de sacramentele bevoegdheid.  Petrus heeft daarin, als de eerste Paus, een unieke positie en is daarmee niet alleen de 'eerste onder zijns gelijken' maar draagt ook de verantwoordelijkheid voor de eenheid van de kerk. De doorontwikkeling van deze leer, binnen de bedding van de levende traditie zoals 'Rome' die verstaat, heeft geleid tot het dogma dat de Paus onder specifieke voorwaarden de kerk kan bewaren voor dwaling in geloof en moraal - de onfeilbaarheid van de Paus.

De sleutelmacht zoals Jezus die formuleert en aan Petrus geeft, is zondermeer een bijzondere en ook lastig te begrijpen bevoegdheid. Geen wonder dat protestanten daar nogal moeite mee hebben, ook wanneer je de sleutelmacht protestants wilt uitleggen. Want wat betekent het precies? Het is nogal wat: wat jij, Petrus, zult binden of ontbinden op de aarde zal ook in de hemel gebonden of ontbonden zijn. Het heeft er toch alle schijn van dat Petrus hier een welhaast goddelijk gezag krijgt. En dat ook nog eens bovenop wat Jezus in het voorgaande vers tegen hem zegt: 'En Ik zeg u ook dat u Petrus bent, en op deze petra (rots) zal ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen'. Petrus als rots waarop de Kerk gebouwd wordt en als degene die met goddelijk gezag  kan beslissen over de Kerk. Is dat inderdaad wat Jezus bedoelt?

De Rooms-Katholieke Kerk verbindt deze tekst met Jesaja 22. Daar lezen we dat God de sleutel van het huis van David op de schouder legt van de koninklijke hofmeester Eljakim met de woorden: 'Als hij opendoet, zal niemand sluiten. Als hij sluit, zal niemand opendoen'. Zo krijgt in de visie van 'Rome' Petrus als de zichtbare vertegenwoordiger van Koning Jezus de sleutels over Zijn Kerk. Overigens komt deze uitdrukking terug in de brief aan de gemeente van Philadelphia in Openbaring 3: 'Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, Die de sleutel van David heeft, Die opent en niemand sluit, en sluit en niemand opent'. Hier is het Christus Zelf Die de sleutelmacht uitoefent. 

Wat mij helpt om de woorden van Jezus beter te begrijpen, is de Joods-Hebreeuwse context. Anders gezegd, de Joods-rabbijnse achtergrond van deze woorden. Jezus' onderwijs is natuurlijk nauw verbonden met de Joodse tradities en het rabbijnse onderwijs. Daarom vraag ik me af hoe Zijn discipelen Zijn woorden hebben begrepen. Zij waren immers niet Rooms-Katholiek of protestants. Ze waren Messiasbelijdende Joden. 

Tegen de achtergrond van het rabbijnse Jodendom is het voor Petrus duidelijk dat hij enerzijds de Shamash is, de dienstknecht die de sleutels in ontvangst neemt van Gods huis. Uit de eerste brief van Petrus wordt duidelijk dat hij met Gods huis de gelovigen bedoelt, die samen, als levende stenen, een geestelijk huis vormen waarvan Christus de uiterste Hoeksteen is. De sleutelmacht verwijst naar het gezag dat Petrus krijgt om onderwijs te geven, beslissingen te nemen en de toegang tot Gods Koninkrijk te openen. 

Anderzijds is het voor Petrus duidelijk dat hij de Dajan is, de rechter die een oordeel velt. 'Binden' en 'ontbinden' zijn Joodse begrippen die hem niet onbekend voorkomen en die laten zien dat iemand de bevoegdheid heeft om iets te verbieden of juist toe te staan. Petrus krijgt het gezag om de Thora uit te leggen en praktische regels vast te stellen en dus om beslissingen te nemen over wat is toegestaan en wat verboden is. Hierdoor krijgt hij een belangrijke rol in de het ontstaan van de eerste Messiasbelijdende gemeente in Jeruzalem. Hij wordt in feite de eerste onder de apostelen en krijgt een leidende rol. 

Daarmee is nog niet alles over Petrus' sleutelmacht gezegd omdat we gemakkelijk de Joods-rabbijnse achtergrond vergeten en zijn sleutelmacht al snel christelijk-westers opvatten en uitleggen. De Rooms-Katholieke Kerk komt vanuit Petrus' sleutelmacht tot de conclusie dat 1. Petrus bisschop van Rome was met universele jurisdictie en 2. dat zijn gezag automatisch overgaat op de opeenvolgende pausen (apostolische successie). Uiteindelijk leidt dit dan tot het dogma van de pauselijke onfeilbaarheid. Daarom is het interessant om verder te kijken naar wat 'binden' en 'ontbinden' precies betekent in het rabbijnse Jodendom. 

'Binden' betekent iets verbieden of verplicht opleggen. Iemand is dan ergens aan gebonden. 'Ontbinden' betekent dat je iemand iets toestaat of iemand losmaakt van een verplichting. Iemand is dan niet langer gebonden of gehouden om aan een bepaalde verplichting te voldoen. Hierbij gaat het meestal om de vraag hoe je het onderwijs vanuit de Thora concreet moet toepassen. Met de Thora wordt doorgaans al het onderwijs uit de eerste vijf boeken van de Bijbel bedoeld, de vijf boeken van Mozes. Soms rekent men daar ook de mondelinge Joodse traditie bij. 

Een bekend voorbeeld is de toepassing van de vraag over echtscheiding. De school van Shammai 'bond' dat streng. Echtscheiding is alleen geoorloofd bij overspel. De school van Hillel 'ontbond' dat ruimer in die zin dat ook andere redenen een geldige oorzaak kunnen zijn voor echtscheiding. Andere bekende voorbeelden zijn vragen zoals wat je wel of niet mag doen op de sabbat en of je iemand op de sabbat mag genezen. Met dit soort vragen had Jezus regelmatig te maken als hij in conflict kwam met de Joodse leiders in Zijn dagen. Veel van de 'twistgesprekken' die Jezus met deze godsdienstige leiders had, vallen het best te begrijpen tegen deze achtergrond. Het gaat om de interpretatie van de Thora en de toepassing ervan in het dagelijks leven. En niet zelden blijkt dat het gaat om verschillende 'scholen', die van Jezus en die van de Schriftgeleerden. Daarbij ontkom je niet aan de vraag van wie je een leerling wilt zijn: van Jezus of van de Schriftgeleerden.

Petrus is in ieder geval een leerling en discipel van rabbi Jezus. Hij weet: Jezus is niet zomaar een rabbi. Hij is de Leraar van God gezonden. Hij is de beloofde Messias. Hij is de Zoon van de levende God. Daarom geeft Jezus hem de sleutelmacht. Hij mag als dienstknecht van Jezus de Christus binden en ontbinden. Hij mag de Thora, en in het verlengde daarvan het onderwijs van Jezus, uitleggen en praktisch toepassen. Zo mag hij door middel van de verkondiging van dit onderwijs de toegang openen tot Gods Koninkrijk. Als dienaar, Shamash, en als rechter, Dajan, hanteert hij de sleutels in de verkondiging van het Evangelie van Jezus Christus. Dat doet hij op drie manieren.

1. Hij opent de toegang tot de gemeente van de Messiasbelijdende gemeente voor de Joden. Wanneer met Pinksteren in Jeruzalem de Heilige Geest wordt uitgestort, neemt Petrus het Woord en verkondigt Jezus als de langverwachte Messias. Hij roept op tot geloof en bekering en tot de doop. De uitwerking van zijn verkondiging is dat zo'n drieduizend Joden en Jodengenoten zich tot Jezus bekeren en in Hem geloven. Ze sluiten zich aan bij de gemeente in Jeruzalem. Het Koninkrijk van God gaat overduidelijk open voor Israël. 

2. Petrus opent de toegang tot Gods Koninkrijk ook voor de Samaritanen. Philippus de evangelist mocht eerst met vrucht het Evangelie onder de Samaritanen verkondigen, maar wanneer Petrus en Johannes komen, ontvangen ook zij de Heilige Geest als de verzegeling dat ook zij voluit horen bij de gemeente van Jezus Christus. 

3. Petrus opent de toegang tot deze gemeente ook voor de heidenen. Daartoe ontvangt hij eerst een visioen van een groot laken met daarin reine en onreine dieren. Hij hoort Gods stem Die hem zegt daarvan te eten. Hij mag geen verschil meer maken tussen reine en onreine dieren. Dit heeft natuurlijk alles te maken met het onderwijs vanuit de Thora, de spijswetten en hoe die moeten worden uitgelegd. Wanneer Petrus gezonden wordt naar Cornelius de hoofdman, een heiden, begrijpt hij dat hij niet mag weigeren. Ook voor de heidenen is de deur van het Evangelie geopend en Petrus gaat. Ook zij ontvangen de Heilige Geest. 

Deze drie bovengenoemde sleutelmomenten in de prediking van Petrus laten zien op welke manier hij een leidende apostel in de gemeente in Jeruzalem is geworden. Het heeft alles te maken met wie toegang mag krijgen tot Gods Koninkrijk en hoe in dat opzicht het onderwijs van de Schrift moet worden uitgelegd. Dat Petrus daar niet onfeilbaar in was, blijkt bijvoorbeeld wel uit het feit dat Paulus hem nogal behoorlijk terecht wijst wanneer juist Petrus uit angst voor kritiek van de Joden zich van heidense gelovigen afzondert (Galaten 2). Maar uit zijn brieven wordt wel duidelijk dat hij de deur van het Evangelie wagenwijd openzet voor een ieder die gelooft, Jood en heiden, kerkelijk en onkerkelijk, katholiek of protestants, van welke taal of uit welk land ook. 'Wie in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden', 1 Petrus 2:6. Daar kan geen macht ter wereld wat aan veranderen!

 


Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.